De Geest is niet te vangen

Bent u wel eens met een potje met een deksel naar buiten geweest om de wind te ‘vangen’? In de afgelopen periode sprak ik een kind die met een potje naar buiten was geweest om de wind te vangen. Toen hij terugkwam met het potje, heb ik hem gevraagd: weet je zeker dat er wind in zit, ik zie er niets van. Hij wist dat zeker. Hoe weet je zeker dat er buiten wind was? Dat heb ik gevoeld, zei hij. Toen vroeg ik of hij de wind ook gezien had? Ja, ik heb de takken en bladeren zien bewegen. Maar het probleem is: je kunt de wind niet in een potje doen, want in een potje kan de wind niet waaien en dus heb je er niets aan om de wind in een potje te vangen. Maar als je buiten bent, kun je de wind wel voelen op je huid, je kunt de wind zien in de beweging die hij veroorzaakt.

Precies hetzelfde geldt ook voor de Geest van God, over Hem gaat het toch als we stil staan bij het pinksterfeest. Die Geest van God wordt vaak vergeleken met de wind. In het Hebreeuws is het zelfs hetzelfde woord: 'ruach' betekent zowel geest als wind. Ook de Geest van God kun je niet in een potje stoppen, want in een afgesloten ruimte kan die Geest niet meer waaien, kan die niets en niemand in beweging brengen. De Geest heeft, juist als God zelf, iets ongrijpbaars. Hij waait waar hij wil, nu hier dan daar, nu uit deze hoek dan uit die.

Toch wordt door sommige mensen steeds weer geprobeerd om die Geest in een potje te stoppen, want dan kunnen ze zeggen: ik heb de Geest. Maar een Geest in een potje is een dode Geest, die beweegt niet meer. Soms gedragen zij zich alsof zij de Geest in hun broekzak hebben zitten, maar daar kan hij ook niet waaien en in beweging zijn. En juist zoals je de wind kun zien in de beweging van bladeren en takken, van vlaggen en zeilen, zo kun je de Geest van God zien waar Hij mensen in beweging zet. Die Geest van God werd zichtbaar in Jezus van Nazareth, die was in beweging, hij trok rond, preekt zijn boodschap en legde mensen de hand op als teken van heil. Niets geen potjes, maar beweging. Ik denk dan aan het verhaal over de zeven werken van Barmhartigheid, uit Mattheüs 25. Er zij hierover prachtige afbeeldingen, geschilderd door de Meester van Alkmaar, daar waar de zeven werken zijn afgebeeld.

De afbeeldingen laten ons zien dat Jezus bij elke ‘goede werken’ zichtbaar is, niet in een gebouw maar op het plein, buiten in Zijn schepping. Daar gebeurt het, daar waait de Geest.

Het pinksterverhaal vertelt van 12 mannen in een achterkamer, ze zaten stil en passief bij elkaar, de fut was eruit, ze wisten niet meer hoe verder maar dan komen ze toch in beweging, ze gaan de straat op om iedereen te vertellen van die Jezus waar ze zo vol van waren. Dat was het begin van de Kerk, die beweging van Jezus.

De beide verhalen laten ons begeestering zien, in beweging gezet worden. Als wij als parochie de Kerk van Jezus Christus willen zijn, dan moet er beweging zijn in onze gemeenschap, mensen die in beweging zijn om samen zijn idealen waar te maken. Anders zijn we net als dit potje: de wind die erin gekomen is, is dood. Als de Geest van God niemand in beweging zet, kan zetten, dan is de Geest dood, dan is de gemeenschap dood.

Het vraagt dat wij onze angst loslaten en ons durven te laten begeesteren, zodat wij begeesterd vanuit ons geloof aanwezig zijn in onze samenleving, ons dorp en in het bijzondere bij de kwetsbaren. Het is aan ons om het deksel van het potje te doen, en te houden.

Ria Doornbusch, Pastoraal werker